Dames en heren, met plezier heb ik deze site
samengesteld.
Hopelijk zult u hem met plezier bekijken!
U kunt kiezen uit 3 hoofdstukken, zie de
tabs hierboven. Elk hoofdstuk, maar ook de
hele site, kunt u verlaten door naar beneden
te scrollen. Leg de fooi maar op het schoteltje!





Tijdens de chaotische bevrijdingstijd, toen we dagelijks twee uur les
kregen in een kelder, ontdekten wij de genoegens van het spijbelen.
Op de middelbare school deden wij er nog een schepje bovenop.
Als je met enkele jongens spijbelt, dan is dat spijbelen.
Als je met een hele klas tegelijk spijbelt, is het een misverstand.
Af en toe trakteerden wij onszelf op zo'n vrije dag en ooit maakten wij
met de hele klas een welverdiend uitstapje naar het Fort St. Pieter en
naar de grotten diep daaronder.

Om binnen te komen, kropen we met 32 leerlingen tegen de achterkant
van het oude fort omhoog. Dat gebeurde tegen een verweerde muur aan
de zuidwestkant. (Die is inmiddels gerestaureerd, want dit verhaal
speelt zich af in 1950). Doordat hier en daar bakstenen ontbraken,
waren er gaten ontstaan, die als traptreden gebruikt konden worden.
Dat kostte veel moed, want het fort was hoog, maar liever doodvallen
dan een lafaard zijn. (Hoe haalden wij, stomme idioten, dat in ons hoofd?)

Tegen de het fort stond (toen nog) een restaurant. Als een van de
serveersters ons zag, zou daar groot alarm geslagen worden en zou ons
leuke uitstapje in duigen vallen. Maar de muur waarlangs we naar boven
klommen, was niet zichtbaar vanuit het restaurant.
Boven op het fort, dat uit 1701 dateert, was een stenen trap naar het
binnenste ervan, met zijn kille gangen. Die werden geheimzinnig verlicht
door de schietgaten in de muren van drie meter dik.

Midden in het fort was een put. Omdat het wateroppervlakte op een
diepte lag van veertig meter, was de put eigenlijk een ondergrondse
fabrieksschoorsteen. Daar omheen was een wenteltrap gemaakt zonder
leuning en met 100 lompe traptreden.
Juist boven het water zwenkte de trap naar een andere richting en zo
kwamen we in de 'kelder ' van het fort. Deze bestond uit enkele
mergelgangen, met een toegang naar de grotten.

Via die grotten kon vroeger, in geval van nood, versterkingen of munitie
naar het fort gebracht worden. Maar op die manier kon ook een vijand
naar binnen komen. Daarom zat tussen de grotten en de wenteltrap een
bakstenen buis. In oorlogstijd lag daar waarschijnlijk een soldaat in
met een musket, als de staartschutter van een oude bommenwerper.

Het duurde een hele tijd voordat de 32 jongens door die buis gekropen
waren. Het uiteinde van de buis kwam uit in de grotten, op een hoogte
van anderhalve meter boven de grond. Je moest je dus vanaf die
hoogte met gestrekte armen omlaag laten vallen. Gelukkig zat daar
het restant van een traliehek, waaraan je je kon vasthouden.
Zo kwamen we uiteindelijk in de grotten terecht, beter gezegd in
het 'instortingsgebied'.

Franse revolutionairen, die Europa wilden bevrijden van koningen
en adel, kwamen in 1793 naar Maastricht. Maar de verbolgen adel
liet ze vanuit het fort beschieten. De Fransen namen de benen,
maar in het jaar daarna kwamen ze terug met een leger dat 2½ keer
zo groot was (35.000 man).
Ze hadden een waanzinnig plan, deze keer. Ze wilden het fort opblazen
vanuit de grotten. Maar de super-explosie was niet sterk genoeg.
Wél lieten de Fransen verdomd veel puin achter,
waar we nu overheen en onderdoor moesten kruipen.

Het verdwalen in een grot met een gangenstelsel van 220 km is
levensgevaarlijk. Maar twee jongens beweerden dat zij daar de
weg kenden en dus waren wij vol vertrouwen meegegaan. Na een uur
zorgden onze twee 'gidsen' voor een verrassing. Ze zeiden dat
ze helaas verdwaald waren. Verdwaald?? Met een hele klas spijbelaars!!

Natuurlijk wist niemand dat we in de grotten zaten. Hoe lang kon
het duren voordat iemand op het idee zou komen om ons hier te
gaan zoeken? Misschien zouden we een paar dagen en nachten in
het donker moeten zitten, rammelend van honger en bibberend van kou.
Ook zou dit zou een zeer ongunstige invloed hebben op onze
overgangsrapporten. We hadden het toch al zo moeilijk met de leraren,
die ons 'de eerste oorlogsgolf' noemden. Zij beschouwden onze
klas als een natuurramp. Wij dachten hetzelfde van de leraren,
die ons met straffen en slechte rapporten een vakkenpakket
opdrongen, waarvan iedereen wist dat het grootste gedeelte daarvan
onbruikbaar zou zijn, gedurende de rest van je leven.

Na de ontdekking dat we verdwaald waren, begonnen de vier zaklampen,
die we bij ons hadden, zwakker te branden. Wij moesten het licht
rantsoeneren. In grote haast kropen wij verder in een richting die
hopelijk de goede zou zijn. Eindelijk vonden onze 'gidsen' de buis
in de muur. We kropen er doorheen en bereikten de wenteltrap.
Met het laatste restje licht beklommen we de treden en kwamen
hijgend boven. Op dat moment was hondengeblaf te horen.
Waarschijnlijk had een van de serveersters ons tóch gezien en
had zij haar baas verteld, dat er weer jongens in het fort zaten.
Die had rustig gewacht tot we weer boven kwamen en stuurde toen
honden op ons af.

Als parachutisten sprongen wij achter elkaar door vier grote schietgaten
naar buiten. Pas tijdens de sprong realiseerden wij ons hoe hoog het
daar was. Enerzijds een geluk want de honden, met hun grote bek, durfden
niet naar beneden te springen, toen wij er vandoor gingen, hinkend van pijn.


schietgaten

Veertien dagen later kwam de uitslag van het overgangsexamen.
Van de 32 jongens in onze klas, waren er 16 gezakt. Toen mijn
vader mijn rapport zag, met 12 zware onvoldoendes, vond hij het
nodig om mij naar een kostschool te sturen, ondanks het feit dat
ik een 8 voor tekenen had. Het bleek een strenge kostschool te zijn.


Dit spannende verhaal begint niet in de grotten, maar
in het oude Fort St. Pieter van Maastricht.
Terwijl ik woord 'Fort' schrijf, dames en heren,
krijg ik plotseling de neiging om te gaan mijmeren.
Mijn excuus hiervoor. Ik zal het kort houden.

Om zo'n fort te bouwen, heb je een heleboel onwetendheid
nodig. Tot op vandaag wordt die onwetendheid van generatie
op generatie doorgegeven via het onderwijs. Daar mag je alleen
in de richting kijken van formules en sommetjes.
Wie naar de andere kant kijkt, krijgt een dikke onvoldoende,
maar in die andere richting is wél het volgende te zien.

Ieder mens neigt ertoe om behalve de eigen voerbak ook
de voerbakken van buren leeg te eten. Verstandige mensen
doen dat niet. Zij begrijpen dat zoiets problemen zal
veroorzaken, zelfs als je het stiekem doet. Jammer genoeg
zijn er ook zwakbegaafde mensen, die geen hersenen in hun
hoofd hebben, maar een instinct. Daar kunnen ze niets aan doen.
Waarschijnlijk is het een overblijfsel uit de tijd dat we nog
apen waren. Zo'n primitief instinct heeft natuurlijk ook geen
rem en daarom graaien die mensen hondsbrutaal wél andermans
voerbakken leeg. Ze zijn slim genoeg om dat te doen met
schijnheilige gezichten en onberispelijk gekleed (kenmerken).
Misschien kun je nog lachen om de behendigheid van kleine
graai-aapjes, maar grote graai-apen zijn levensgevaarlijk.
Met goocheltrucs waarover zeer lang is nagedacht, graaien
ze andermans voedsel naar zich toe. Dat is zóveel dat ze
wolkenkrabbers nodig hebben, alleen al voor de administratie.
Waarom doen zij dat? Zij denken dat je door belachelijk
grote voorraden, levenslang vrij van zorgen zult zijn.
Maar dat is een enorme vergissing. Ze zijn juist bezig om
een ramp te veroorzaken, want waar komen hun grote voorraden
vandaan? Van anderen, die ondanks hard werken beteuterd naar
hun lege voerbakken staan te kijken. Die stoppen tenslotte
met werken en storten zich van ellende in de pijnstillers
zoals drank en drugs.

"Is dat dan erg? Daar hebben wíj toch geen last van?" zeggen
de instinctbezitters tegen elkaar. Maar intussen groeit bij
de berooiden ook de angst voor een naderende hongersnood.
In hun bloed begint adrenaline te borrelen. Hun aanvankelijke
moedeloosheid verandert na enige tijd in keiharde agressie.
Vroeg of laat komt uit die groep een welbespraakte leider
tevoorschijn, die de agressie namens de anderen bundelt,
slordig een zondebok aanwijst en dan ontstaat de zoveelste
oorlog. Opnieuw zullen dan miljoenen mensen omkomen of
verschrikkelijk lijden. Daaronder zijn óók de zwakbegaafde
graaiers, die nog steeds niet beseffen dat zíj de veroorzakers
zijn van al die ellende.
"Wij wilden alleen maar op gouden Wc-brillen zitten. Wat is
daar verkeerd aan? Wij hebben nooit om een oorlog gevraagd.
Dat is het werk van die vieze armen, die zo graag met oude
kranten hun achterwerk afvegen en die nooit tevreden zijn,"
zullen ze zeggen.

Wie geen oorlog wil, moet zich bewapenen, zeiden de oude
Romeinen. Dit is pure symptoombestrijding en dus een
achterlijke uitspraak van meer dan 2000 jaar geleden.
Allerhoogste tijd voor iets nieuws! Wie geen oorlog wil,
moet zwakbegaafde graaiers vroegtijdig uitschakelen door
ze wijzer te maken.
Maar dan moet het onderwijs veranderen: minder Pythagoras
en meer kennis over het menselijk gedrag en dus ook over het
gevaarlijke graai-instinct waaraan sommigen van ons lijden.
Kinderen zouden op scholen hun talenten moeten ontdekken en
die ontplooien, zodat ze plezier krijgen in hun leven,
in plaats van stil in een hoekje zakcentjes en rapportcijfers
te gaan tellen. Maar ja, probeer zo'n nieuw idee maar eens
te verkopen aan de minister van onderwijs, beter gezegd:
de minister van het sommetjes-onderwijs.
Die heeft het dan plotseling erg druk, druk, druk.

Geachte lezers, sorry voor de bovenstaande tekst, waarin
ongetwijfeld nog denkfouten zullen staan.
Als jongetje hoorde ik een paar keer hoe het glasscherven
en dakpannen regende, met een koortje van gillende vrouwen
op de achtergrond. Ik stond te bibberen en te klappertanden
van angst. De woede van miljoenen mensen met lege voerbakken
ontlaadde zich op dat moment in een wereldoorlog.
Toen ik woord 'Fort' schreef, bovenaan dit hoofdstuk,
werden die herinneringen wakker, maar nu ik dit opstel
geschreven heb, slapen ze weer. Laten we daarom opgewekt
naar het Fort St. Pieter gaan. Nu dat bouwsel er tóch staat,
kun je het leuk gebruiken als speelterrein. U zult verbaasd zijn!

Op kostschool raakte ik bevriend met Tom, die veel
belangstelling bleek te hebben voor het fort St. Pieter.
Omdat ik daar de weg kende, beloofde ik hem een rondleiding
te geven tijdens de eerst volgende vakantie: de kerstvakantie.

Er waren nog meer geïnteresseerden zodat we met vijf jongens
op pad gingen. Deze keer kropen we niet naar boven via
de hoge, verweerde muur, maar we gingen door grote schietgaten
naar binnen. Dat was veiliger, want ze zaten lager, maar wel
veel dichter bij het restaurant. Hopelijk zouden de
serveersters ons niet zien. Het fort werd binnen zwak verlicht
door de vele schietgaten, behalve in het binnenste gedeelte,
in de buurt van de put en de wenteltrap. Omdat wij niet
van plan waren om via die trap naar de grotten te gaan,
had ik een kleine zaklamp meegenomen. Nauwelijks waren
wij binnen, toen we met veel lawaai de dikke eikenhouten
poort hoorden opengaan. Het was de toegangspoort van het
fort, die vanuit het restaurant werd geopend. Blijkbaar
hadden ze ons toch naar binnen zien gaan. We hoorden
mannenstemmen, waarschijnlijk van de eigenaar en een ober.
Die kwamen ons zeer zeker niet verwelkomen met een bosje
bloemen. We maakten dat we wegkwamen.
Met behulp van het zaklampje rende ik met Tom naar het
binnenste van het fort, naar de put en de wenteltrap,
die daar omheen liep. Snel liepen we naar beneden,
ons verbaasd afvragend waar de drie anderen gebleven waren.
Gelukkig kende één van hen de weg in het fort. Na een
afdaling van ongeveer dertig treden stonden we stil
en ik deed het licht uit.

De put was een lege bakstenen koker van 40 meter diep
en pas daaronder was het water. Door ouderdom waren
hier en daar gaten ontstaan in die koker. Als je over
de rand van de put omlaag keek, kon je door die
gaten het licht zien, als er mensen met een lamp op
de wenteltrap liepen. Dus stonden wij zwijgend in
het donker. Ongetwijfeld zouden op dat moment de twee
mannen over de putrand gebogen staan om te kijken en
te luisteren. Gelukkig hoefde ik Tom, een ervaren
kostschooljongen, niets uit te leggen. We stonden
dicht bij zo'n gat en we hoorden de mannen praten en vloeken.
Tot onze grote schrik was plotseling het geluid te horen
van hun voetstappen. Ze kwamen de trap af! Het angstzweet
brak ons uit.

Op de keurige Rooms Katholieke Hogere Burger School voor
Jongens, was het zo kort na de oorlog heel gewoon dat de
nog steeds met adrenaline gevulde leraren, voor een volle
klas, knallende oorvijgen uitdeelden aan leerlingen, als die
geen belangstelling hadden voor hun bijzaken. Wat zou ons
te wachten staan, als we in handen vielen van die twee
figuren, op deze afgelegen plek? Hun opgehoopte frustraties,
opgelopen door vele mislukte achtervolgingen in het fort,
zouden zij met rente op ons laten neerhagelen. In het
donker verder naar beneden lopen over de uitgesleten trap
zonder leuning, was levensgevaarlijk en als we de zaklamp
gebruikten, konden ze ons zien door de gaten. Wij konden
weinig méér doen dan vurig hopen dat de mannen zich tijdig
zouden omdraaien in de veronderstelling dat zij zich vergist
hadden. Maar ze kwamen steeds lager. Met kloppend hart stonden
we met onze buik tegen de bakstenen koker gedrukt. Een lichtstraal
kwam de hoek om... scheen rakelings achter onze ruggen...
en toen stonden de mannen stil. "Hier is niemand," hoorden
we een van hen brommen en ze gingen terug naar boven.
Daar schreeuwden ze voor alle zekerheid in de put dat ze
honden op ons af zouden sturen. Hierna werd het doodstil.

Het goede nieuws was, dat de drie andere jongens tijd genoeg
hadden gehad om door een schietgat naar buiten te vluchten.
Het slechte nieuws was, dat wij niet terug naar boven durfden
te gaan. Wij moesten verder de diepte in, waar een berg problemen
lag te wachten. Het eerste probleem was mijn kleine zaklamp.
Zou het batterijtje zo'n lange tocht overleven? We hadden zeer
veel tijd nodig om via het instortingsgebied de niet-ingestorte
gangen te bereiken. Van daaruit moesten we naar een andere uitgang
lopen. Die was afgesloten met een poort, maar het slot daarvan kon
van binnen geopend worden zonder sleutel. Gelukkig had ik in
de grote vakantie, voordat ik naar kostschool ging, met enkele
jongens de weg geleerd in dat gedeelte van de grotten.
We gebruikten daarvoor een vliegertouw, dat we uitrolden, zodat
we de uitgang steeds konden terugvinden.

We gingen noodgedwongen de trap af, kropen door de bakstenen
buis en kwamen in het instortingsgebied. Hier lag alles vol
grote en zeer grote steenbrokken. Er was bijna geen doorkomen
aan. Ik besloot om de zaklamp niet te sparen, want de kans op
verdwalen was hier het grootst. (De onderstaande foto is van een
latere datum. Wij hadden wel iets anders aan ons hoofd dan foto's
maken). Gelukkig zouden de drie ontsnapte jongens kunnen
vertellen waar ze ons moesten zoeken, als we die avond niet thuis
zouden komen. Wij klommen en kropen met bezwete gezichten over
en onder de


instortingsgebied

steenblokken tot we op een plaats kwamen, waar een enorm rotsblok
omlaag was gevallen. Het had de afmeting van een bouwkeet en
was op het laatste moment klem blijven zitten tussen de wanden
van een gang. Ik was blij toen ik dat blok zag, want dat
bewees dat we op de goede weg zaten. Maar écht blij was ik niet.
De ruimte onder het blok was zó laag dat je er plat liggend
onderdoor moest kruipen. Dit ging gepaard met het schurende
geluid van je kleren. Vooral in het midden van het blok kostte
het veel zelfbeheersing om niet in paniek te raken. Je had
daar het gevoel alsof je op een guillotine lag. Voor Tom was
dit de eerste keer, maar hij hield zich verdomd goed en
volgde zwijgend. Toen we eindelijk buiten het instortingsgebied
weer rechtop konden lopen, in de normale gangen, bleek dat
we teveel hadden gevraagd van de zaklamp. Hij brandde nog,
maar heel flauwtjes. We besloten om dat laatste restje licht
als reserve te bewaren.
Gelukkig had Tom een aansteker bij zich en we zouden die als
verlichting gaan gebruiken.

Maar het vlammetje van de aansteker werd steeds kleiner en
tenslotte ging het uit. We kregen het toen even héél erg benauwd.
Tijdens de pogingen om de aansteker weer aan het branden te
krijgen, ontdekte ik dat de vonken van het vuursteentje een
fel wit licht gaven. Omdat ik daar de weg kende, wilde ik
proberen om met behulp van die vonken verder te lopen.
Wat kon ik ánders doen? Bij elke vonk werd de omgeving heel
even verlicht. Dan dacht ik na. Wat had ik gezien?
Ik zag... dat de gang een bocht naar rechts maakte. Aha!
Dan zaten we dus waarschijnlijk dáár... Nóg een vonk ter

grot

controle. Ja, het klopte. Vervolgens nam ik Tom bij zijn arm en
we maakten in het donker vijf stappen. Opnieuw een vonk. Tot onze
verbazing werkte dit systeem! We liepen op vonken!!
Alleen op kruispunten gebruikte ik heel even de zaklamp.
Uiteindelijk zijn we via de andere uitgang weer buiten gekomen.

Er volgde nog een lange wandeling naar de bewoonde wereld, alwéér
in het donker, want de winterzon was al naar huis. De drie jongens,
die op de slaapkamer van één van hen zaten te wachten, waren
opgelucht toen wij na twee uur verschenen. Als we een uur later
waren gekomen, hadden ze hulp moeten halen, al wisten ze niet wáár.
Ze waren inderdaad uit de schietgaten van het fort gesprongen toen
de twee mannen bij de put stonden te tieren.
Het was een interessante middag geweest, humoristisch en toch leuk,
maar voorlopig was ik genezen van het fort en de grotten. Pas na
50 jaar zou ik daar weer terugkomen!


Toen ik na mijn pensionering niet genoeg geld had om alimentatie te
betalen, ging ik dagelijks een uur aan tafel zitten om na te denken.
Hoe moest ik aan geld komen?
Elk belachelijk idee werd genoteerd en later opnieuw bekeken.
Na enkele weken viel de knikker! Grottengids worden! Het was
natuurlijk ook een belachelijk idee, maar dat paste wel bij me!

Na een sollicitatiegesprek met de directeur van de VVV maakte ik
kennis met Eduard, het hoofd van de gidsen. Hij zou mij onder de
grond de weg leren. Voordat Eduard die moeite ging doen, werd ik
eerst door hem getest. Dat gevoel kreeg ik tenminste.
Hij vertelde de meest afschuwelijke verhalen over het tellen van de
kassa, de kuren van de alarminstallatie, de problemen met de computer,
het herstellen van fouten en het berekenen van groepskortingen.
Hij wees aan door welke deuren de toeristen wél en niet naar de WC
mochten gaan. Vervolgens demonstreerde hij hoe je benzinelampen van
nieuwe kousjes moest voorzien, hoe je ze moest vullen en aansteken
en waar de brandblusser hing. Hij toonde mij folders in verschillende
talen, waaronder het Japans.
Verder sprak hij over roze, gele en witte bonnen, over lijsten die
dagelijks ingevuld moesten worden en over een teller om klanten te
tellen. Hierna zweeg hij om te zien wat mijn reactie was op dit
weerzinwekkende verhaal. Maar zelfs een ijsverkoper moet tot diep in
de nacht papieren invullen, dacht ik. Als ik daar te lui voor was,
moest ik maar in een bejaardentehuis gaan zitten. Toen Eduard merkte
dat ik niet gebroken was, stak hij gerustgesteld een benzinelamp aan.

Op weg naar de grotteningang, een paar honderd meter verder, genoot
ik van het uitzicht op de stad.
Dit zou ik voortaan gratis erbij krijgen, bij elke rondleiding.
Eduard vertelde dat Maastricht ongeveer honderd gidsen heeft.
Vijftig voor rondleidingen door de stad. De andere helft werkt
ondergronds in de grotten, het fort of in de kazematten. In de
grotten aangekomen, maakten we een ronde door de gangen. Hoe was
het mogelijk dat ik hier ooit de weg had gekend, althans in een
klein gedeelte van het gangenstelsel. Sinds 1952, vijftig jaar geleden,
was ik hier niet meer geweest en ik was veel vergeten.

Toen we weer bij het beginpunt kwamen, maakten we nóg een rondje,
maar nu mocht ik de weg wijzen. Natuurlijk was ik binnen een minuut
verdwaald. Eduard wees mij de verschillende herkenningspunten aan:
een gat, een diepe kras, een getal, een bocht. Meer houvast heb je
daar niet.

De volgende dag moest ik terugkomen en opnieuw liepen we twee uur
onder de grond. Zo ging het dagen achter elkaar.
Eindelijk mocht ik voorop lopen met de lamp. Bij elk kruispunt stond
ik een paar seconden stil, totdat Eduard naast me stond. Dat was
heel belangrijk, want de punten van zijn schoenen, waar ik onopvallend
naar keek, wezen meestal de goede richting aan. Tot mijn verbazing
verdwaalde ik deze keer niet, al was het duidelijk dat ik op den duur
ook de weg moest kennen zónder de schoenen van Eduard. Uiteindelijk
lukte dat en ik voelde mij zeer gelukkig.
Dit geluk stortte in, toen Eduard mij de volgende opdracht gaf:
"Loop nu nog eens diezelfde ronde, maar dan in omgekeerde richting."
Al na honderd meter was ik verdwaald. Ik stond perplex.
Alles zag er opeens totáál anders uit, zodat ik deze versie ook moest
leren. Daarna leerde Eduard mij een route voor gebruikers van rolstoelen.

Langzamerhand begon het mij te duizelen, maar Eduard was tevreden.
Hij vond dat ik de weg voldoende kende om alléén door de grotten
te lopen en hij raadde mij aan om dit vaker te doen vanaf nu.
Wél moest ik dat tevoren aan een van de gidsen vertellen en mij later
bij diezelfde gids weer afmelden. Dit om te voorkomen dat ik een
nacht in de grotten opgesloten zou zitten, zonder dat iemand het
wist. (Thuis zat alleen Pim de kat op zijn voer te wachten).
Toen ik daar in mijn eentje liep, onder de indruk van de doodse stilte,
de duisternis en de eenzaamheid, zag ik in de zijgangen telkens
monniken haastig wegduiken, hun gezichten verborgen onder zwarte kappen.
Het bleken de schaduwen te zijn van muren en pilaren.
Hierna hoorde ik een zacht getjilp. Eduard had mij verteld wat dat was:
vrijende vleermuizen. Die komen 's winters hun winterslaap houden als
er buiten geen muggen meer vliegen. Ze hangen hier en daar aan
het plafond, bij voorkeur in hoge gangen en in gebieden waar geen
mensen komen.
Kort daarna zag ik witte spoken. Wat kregen we nou?
Ik bleef staan en de spoken schuifelden langzaam in mijn richting.
Het bleken een stuk of zeven vrouwen uit India te zijn, in lange,
witte gewaden en met witte hoofddoeken. De gids die erbij was,
had ik niet gezien door zijn donkere jekker.

Toen kwam de grootste schrik van die dag: de ontdekking dat ik
verdwaald was. Even dreigde ik in paniek te raken. Wat moest ik doen?
Dát had Eduard mij niet geleerd! Ik dacht na, zette de lamp op
de grond en dacht nóg eens na. Vervolgens liep ik met mijn
reservezaklamp een willekeurige gang in, maar zó dat achter mij
nog steeds het schijnsel te zien was van de benzinelamp. Er was
niets dat ik herkende.
Daarna liep ik terug naar de benzinelamp en ging met mijn zaklamp
een andere gang in. Pas bij de derde gang herkende ik een
tekening op een muur en wist ik de weg weer. Eduard mocht in geen
geval weten dat ik verdwaald was. Mogelijk zou hij dan de
opleiding met enkele weken verlengen en al die tijd zou ik
geen salaris krijgen, terwijl ik elke cent hard nodig had.

Tot slot kreeg ik een dikke klapper met allerlei gebeurtenissen,
die zich in de loop der eeuwen hadden afgespeeld in de grotten.
Nieuwe gidsen kunnen daaruit naar eigen smaak een veldboeket van
verhalen samenstellen.


grot

Daardoor zijn de verhalen van de gidsen allemaal anders.

Eindelijk was ik klaar voor het examen, dat werd afgenomen door
Eduard en de directeur van de VVV. Tot mijn schrik waren de
toeristen die ik moest rondleiden Amerikanen, zodat ik mijn
examen in het Engels moest doen. Maar ik slaagde! Later ging ik
ook rondleidingen geven in de grotten van Zonneberg
(iets verderop in de St. Pietersberg) en in het Fort.
Sinds 2002 maak ik jaarlijks zo'n 4000 mensen aan het lachen en
dat heeft me nog nooit verveeld! Natuurlijk zijn er ook dramatische
verhalen te vertellen, maar het één versterkt het ander.
Mijn collega's zijn zeer aparte, maar betrouwbare figuren,
waaronder een groot saamhorigheidsgevoel heerst, zodat ik mij
thuis voel in dit wereldje. Temeer omdat mijn vriendin Christina,
die ik inmiddels had leren kennen, ook grottengids is geworden.
Omdat je bij dit 'werk' veel moet lopen, voel ik mij elk jaar
jonger worden.
Conclusie: het betalen van alimentatie heeft mij rijk gemaakt!



Terug naar boven

Verder naar het eerste schilderij