Verdwalen in een grot met een gangenstelsel van 220 km is levensgevaarlijk.
Dat wij daar tóch in gingen, kwam omdat twee jongens van onze klas beweerden
dat zij er de weg kenden.
We klommen door een van de schietgaten het oude Fort St. Pieter naar binnen.
Daartegen was een restaurant gebouwd en we hoopten dat de serveersters ons niet
naar binnen zagen gaan. In het fort is een wenteltrap naar beneden, die uitkomt
in de grotten. Het was allemaal heel interessant en ook spannend,
want we kwamen beneden terecht in een instortingsgebied.
Franse revolutionairen hebben in 1794 geprobeerd om het fort op te blazen
vanuit de grotten. Dat mislukte, maar het zorgde wel voor een hoop puin waar
we overheen moesten klauteren.

Toen we na een uur terug wilden gaan, zorgden onze twee 'gidsen' voor een verrassing.
Ze zeiden dat ze helaas verdwaald waren. Verdwaald?? Met een hele klas spijbelaars!!
(Wij spijbelden het liefst met een hele klas tegelijk. Dan is het geen spijbelen,
maar 'een misverstand'). Natuurlijk wist niemand dat we in de grotten zaten.
Hoe lang kon het duren voordat ze op het idee zouden komen om ons hier te gaan zoeken?
Misschien zouden we een paar dagen in het donker moeten zitten,
rammelend van honger en bibberend van kou. Dit zou een zeer ongunstige invloed hebben
op onze overgangsrapporten, temeer omdat wij 'de eerste oorlogsgolf' werden genoemd.
De leraren beschouwden onze klas als een natuurramp. Alleen door gebed en door wonder
en waren wij nog te redden. (Wij dachten hetzelfde van de leraren).

Tot onze schrik begonnen de zaklampen zwakker te schijnen zodat we het licht
moesten rantsoeneren. In grote haast kropen wij verder in een richting die hopelijk
de goede zou zijn. Eindelijk herkenden onze 'gidsen' een gat in een muur.
We kropen er doorheen en bereikten de wenteltrap.
Met het laatste restje licht beklommen we de 100 treden en kwamen opgelucht boven.
Op dat moment was hondengeblaf te horen. Waarschijnlijk had een van de serveersters
ons tóch gezien en had zij haar baas verteld, dat er weer jongens in het fort zaten.
Die had rustig gewacht tot we weer boven kwamen en stuurde toen twee honden op ons af.
Als parachutisten sprongen wij achter elkaar door vier grote schietgaten naar buiten.
Pas tijdens de sprong realiseerden wij ons hoe hoog het daar was.
Een geluk, want de honden met hun grote bek, durfden niet naar beneden te springen,
toen wij er hinkend van de pijn vandoor gingen.


schietgaten

Dit soort boeiende en leerzame excursies versterkte ons saamhorigheidsgevoel.
Het was duidelijk: de Hogere Burger School (HBS) was goed bedoeld,
maar wij deden niet meer mee.
Veertien dagen later kwam de uitslag van het overgangsexamen.
In onze klas waren 16 van de 32 jongens gezakt.
Toen mijn vader mijn rapport zag, met 12 onvoldoendes van de
ergste soort, vond hij dat de tijd rijp was om mij naar een kostschool
te sturen. Een strenge kostschool.


Toen de onwetenheid nog welig tierde en de gezinnen 10 á 20 kinderen hadden,
tierde de armoede welig mee. 's Winters werd de kou betreden met sprokkelhout.
In de zomer werd het koren gemaaid met een zeis.
Door één zwerm sprinkhanen kon de oogst mislukken en als dát gebeurde,
was de maat vol.
Dan werd er gebeden en gedronken, met ellebogen gewerkt en sommigen kregen
het zó op hun zenuwen, dat ze de boel kort en klein sloegen.
Die laatste typen kwamen in het leger terecht en werden met een smoes
naar een buurland gestuurd, waar zij naar hartenlust mochten plunderen.
Uit die tijd dateren de stadsmuren en ook het Fort St. Pieter in Maastricht.

Inmiddels was het alweer een paar eeuwen later, toen ik op kostschool
belandde. Daar raakte ik bevriend met Tom, die veel belangstelling bleek
te hebben voor het fort op de St. Pietersberg.
Omdat ik daar de weg kende, beloofde ik hem een rondleiding te geven.
Er waren nog méér geïnteresseerden zodat we tijdens de
eerstvolgende vakantie, de kerstvakantie, met vijf jongens op pad gingen.
Door gaten in de verweerde muur als traptreden te gebruiken,
bereikten wij een schietgat en kropen daar naar binnen.

Die schietgaten zorgden ook voor de verlichting in de meeste gangen.
Alleen het binnenste van het fort was aardedonker. Daar bevond zich
een put waarvan het water op een diepte zat van ongeveer veertig meter.
De put leek op een fabrieksschoorsteen, maar aan de buitenkant ervan
was een wenteltrap gemetseld. Via die trap kwam je beneden in de grotten.
Omdat wij niet van plan waren om dáár naartoe te gaan, had ik alleen
maar een kleine zaklamp meegenomen.
Tegen de voorkant van het fort was een restaurant gebouwd.
Als je pech had, zagen de serveersters je naar binnen klimmen,
maar meestal ging het goed.

Vanuit het restaurant (dat inmiddels is gesloopt) kon je door een
eikenhouten poort in het fort komen.
Toen wij binnen waren werd plotseling die poort geopend met veel
geknars en gepiep. We hoorden stemmen van mannen en die kwamen
ons zeer zeker niet met een bosje bloemen verwelkomen.
Waarschijnlijk was het de eigenaar van het restaurant en een van de obers.
Blijkbaar hadden ze ons toch naar binnen zien kruipen.

We maakten dat we wegkwamen. Met behulp van het zaklampje rende ik
met Tom naar het binnenste van het fort, naar het poortje waarachter
de wenteltrap begon. Terwijl we naar beneden liepen,
vroegen we ons verbaasd af waar de drie anderen waren gebleven.
Gelukkig kende één van hen de weg in het fort.

Na een afdaling van ongeveer dertig treden stonden we stil en
ik deed het licht uit.
Het water in de put zat zeer diep en op verschillende plaatsen
waren er gaten in de 'schoorsteen'. Als je boven in de put keek,
kon je door die gaten het licht zien van degenen die zich op de
wenteltrap bevonden.
Zwijgend stonden we in het donker, want ongetwijfeld zouden op
dat moment de twee mannen over de putrand gebogen staan om te
kijken en te luisteren.
Gelukkig hoefde ik Tom, een ervaren kostschooljongen,
niets uit te leggen. We stonden dicht bij een gat in de
putwand en we hoorden het praten en vloeken van de mannen door de put galmen.

Daarna was het geluid te horen van voetstappen.
Ze kwamen de trap af! Het angstzweet brak ons uit.
Op de keurige Rooms Katholieke Hogere Burger School was het in die
tijd heel gewoon dat driftige leraren knallende oorvijgen uitdeelden
aan leerlingen, voor een volle klas.

Wat zou ons hier te wachten staan, op deze afgelegen plek,
als we in handen vielen van die twee figuren? Hun opgehoopte
frustraties door vele mislukte achtervolgingen uit het verleden,
zouden zij met rente op ons laten neerhagelen. In het donker verder
naar beneden lopen over de uitgesleten mergeltrap met zijn hoge treden,
was levensgevaarlijk. Als we de zaklamp gebruikten, zouden ze ons zien
door de gaten. Wij konden weinig méér doen dan vurig hopen dat de mannen
zich tijdig zouden omdraaien in de veronderstelling dat zij zich
vergist hadden. Maar ze kwamen steeds lager.

Met kloppend hart stonden we met onze buik tegen de putwand gedrukt.
Een lichtstraal kwam de hoek om... scheen rakelings achter onze
ruggen... en toen stonden ze stil.
"Hier zitten ze niet", hoorden we een van hen brommen.
Ze gingen weer naar boven en het licht verdween.
Voor alle zekerheid schreeuwden ze nog één keer in de put dat ze
in het vervolg honden op ons af zouden sturen.

Daarna werd het donker en doodstil.
Het goede nieuws was, dat de drie andere jongens nu tijd genoeg
hadden gekregen om door een schietgat naar buiten te vluchten.
Het slechte nieuws was, dat wij niet terug naar boven durfden te gaan.
Wij moesten verder de diepte in, waar een berg moeilijkheden op
ons lag te wachten. Het eerste probleem was mijn kleine zaklamp.
Zouden de batterijen zo'n lange tocht overleven?
We hadden minstens een uur nodig om via de grotten weer buiten te komen,
maar een andere keus was er niet.
Na de laatste traptrede (van de 100) kwamen we in de 'kelder'
van het fort. Om van daaruit in de grotten te komen, moest je door
een bakstenen buis kruipen van ongeveer twee meter lengte.
In oorlogstijd lag daar vermoedelijk een soldaat in met een geweer,
als de staartschutter van een bommenwerper, om te voorkomen dat
een vijand via de grotten het fort zou binnenkomen.

De buis werd vaak afgesloten door de eigenaar van het restaurant,
met zand en glasscherven, maar even vaak weer leeggeschept door
ondernemende jongelingen, die dit leuker en leerzamer vonden
dan huiswerk maken.
Zou de buis vandaag geopend of gesloten zijn?
We hadden geluk en kropen er doorheen. De buis eindigde in een mergelgang
op anderhalve meter hoogte boven de grond en het was altijd weer een kunst
om daar tijdens het neerstorten niet op je hoofd te vallen.

We kwamen nu in het 'instortingsgebied' dat ontstaan was doordat Franse
revolutionairen tevergeefs probeerden om het fort op te blazen.


instortingsgebied

Dit gebied lag vol grote en zeer grote steenbrokken. Er was bijna
geen doorkomen aan. Ik besloot om de zaklamp niet te sparen,
want de kans op verdwalen was hier het grootst.

Gelukkig zouden de drie ontsnapte jongens kunnen vertellen waar ze
ons moesten zoeken, als we die avond niet thuis zouden komen. Wij klommen
en kropen met bezwete gezichten tot we op een plaats kwamen, waar een enorm
rotsblok omlaag was gevallen. Het had de afmeting van een bouwkeet en was
op het laatste moment klem blijven zitten tussen de wanden van een gang.

Ik was blij toen ik dat blok zag, want dat bewees dat we op de goede
weg zaten. Maar écht blij was ik niet. De ruimte onder het blok was zó
laag dat je er plat liggend onderdoor moest kruipen.
Dit ging gepaard met het schurende geluid van je kleren.
Vooral in het midden van het blok kostte het zelfbeheersing om niet in
paniek te raken. Voor Tom was dit de eerste keer.
Hij hield zich verdomd goed en volgde zwijgend.

Toen we eindelijk buiten het instortingsgebied weer rechtop
konden lopen, in de normale gangen, bleek dat we teveel hadden
gevraagd van de zaklamp. Hij brandde nog, maar twee
versnellingen lager. We besloten het laatste restje stroom van
de batterij als reserve te bewaren.
Gelukkig had Tom een aansteker bij zich en die zouden we als
verlichting gaan gebruiken.

In de weken vóór mijn kostschooltijd, gingen we vaak met een groepje
vrienden naar de grotten. Behalve zelfgemaakte petroleumlampjes en
zaklampen hadden we dan ook steeds een rol vliegertouw bij ons.
Het begin daarvan werd vastgebonden aan een steen.
Tijdens het lopen, rolden we het touw af, zodat we later de
uitgang konden terugvinden.
Kenden we de weg, dan rolden we een volgende keer het touw
verderop uit. Zo leerden wij steeds meer gangen kennen en
daarom was ik nu in staat om weer buiten te komen.

Verdwalen was geen probleem, maar er was een ander probleem op komst.
Het vlammetje van de aansteker van Tom werd steeds kleiner en
ging tenslotte uit. We kregen het toen even héél erg benauwd.
Tijdens de pogingen om de aansteker weer aan het branden te krijgen,
ontdekte ik dat de vonken van het vuursteentje een fel wit
licht gaven. Omdat ik daar de weg goed kende, wilde ik proberen
om met behulp van die vonken verder te lopen. We hadden geen keus.

Bij elke vonk werd de omgeving heel even verlicht.
Dan dacht ik na. Wat had ik gezien? Ik zag... dat de gang een
bocht naar rechts maakte. Aha! Dan zaten we dus dáár...
Vervolgens nam ik Tom bij zijn arm en we maakten in het donker
vijf stappen. Opnieuw een vonk.

Tot onze verbazing werkte dit systeem! We liepen op vonken!!
Alleen op kruispunten gebruikte ik de zaklamp.
Uiteindelijk zijn we via een andere uitgang weer buiten gekomen.

grot

Tot slot moesten we nog een wandeling maken naar de bewoonde wereld,
alwéér in het donker, want de zon gaat 's winters vroeg naar huis.
De drie jongens, die op de slaapkamer van één van hen zaten te wachten,
waren opgelucht toen wij na twee uur verschenen.
Als we een uur later waren gekomen, hadden ze hulp moeten gaan halen,
al wisten ze niet wáár.

Ze vertelden dat zij inderdaad uit de schietgaten van het fort waren
gesprongen toen de twee mannen bij de put stonden te tieren.
Het was een interessante middag geweest, humoristisch en toch leuk,
maar voorlopig was ik helemaal genezen van het fort en de grotten.
Ik moest me nu ernstig gaan bezighouden met algebra en met het
voorgevoel dat ik daar mijn hele leven niets aan zou hebben.


Na mijn pensionering had ik niet genoeg geld om ook nog de
alimentatie te betalen. Dagelijks ging ik een uur aan tafel
zitten om na te denken. Elk belachelijk idee werd genoteerd.
Na enkele weken viel de knikker! Grottengids worden!
Natuurlijk was het ook een belachelijk idee, maar dat paste wel bij me!

Na een sollicitatiegesprek met de directeur van de VVV maakte ik
kennis met Eduard, het hoofd van de gidsen.
Hij zou mij onder de grond de weg leren.
Voordat Eduard die moeite ging doen, werd ik eerst door hem getest.
Dat gevoel kreeg ik tenminste. Hij vertelde de meest afschuwelijke
verhalen over het tellen van de kassa, de kuren van de alarminstallatie,
de problemen met de computer, het herstellen van fouten en het
berekenen van groepskortingen. Hij wees aan door welke deuren de
toeristen wél en niet naar de WC mochten gaan.

Vervolgens demonstreerde hij hoe je benzinelampen van nieuwe
kousjes moest voorzien, hoe je ze moest vullen en aansteken
en waar de brandblusser hing. Hij toonde mij folders in
verschillende talen, waaronder het Japans.
Verder sprak hij over roze, gele en witte bonnen, over lijsten
die dagelijks ingevuld moesten worden en over een teller om
klanten te tellen. Hierna zweeg hij om te zien wat mijn reactie
was op dit weerzinwekkende verhaal.

Maar zelfs een ijsverkoper moet tot diep in de nacht papieren invullen,
dacht ik. Als ik daar te lui voor was, moest ik maar in een
bejaardentehuis gaan zitten.
Toen Eduard merkte dat ik niet gebroken was, stak hij gerustgesteld
een benzinelamp aan.
Op weg naar de grotteningang, een paar honderd meter verder,
genoot ik van het uitzicht op de stad. Dit zou ik er gratis bij krijgen,
bij elke rondleiding.

Eduard vertelde dat Maastricht 60 gidsen heeft. Dertig voor rondleidingen
door de stad. De andere helft werkt ondergronds in de grotten, het fort of
in de kazematten.
In de grotten aangekomen, maakten we een ronde door de gangen.

Hoe was het mogelijk dat ik hier ooit de weg had gekend, althans in een
klein gedeelte van het gangenstelsel. Sinds 1952, vijftig jaar geleden,
was ik hier niet meer geweest. Na een uurtje waren we bij het beginpunt en
maakten we nóg een rondje, maar nu mocht ik de weg wijzen.
Natuurlijk was ik binnen een minuut verdwaald. Eduard wees mij de verschillende
herkenningspunten aan: een gat, een diepe kras, een getal, een bocht.

De volgende dag moest ik terugkomen en opnieuw liepen we twee uur door
de grotten. Zo ging het dagen achter elkaar.
Eindelijk mocht ik voorop lopen met de lamp. Bij elk kruispunt stond ik
een paar seconden stil, totdat Eduard naast me stond. Dat was heel belangrijk,
want de punten van zijn schoenen, waar ik onopvallend naar keek,
wezen meestal de goede richting aan.

Tot mijn verbazing verdwaalde ik deze keer niet, al was het duidelijk
dat ik op den duur de weg óók moest kennen zónder de schoenen van Eduard.
Uiteindelijk lukte dat en ik voelde mij zeer gelukkig.
Dit geluk stortte in, toen Eduard mij de volgende opdracht gaf:
"Loop nu nog eens diezelfde ronde, maar dan in omgekeerde richting."

Ik stond perplex. Al na honderd meter was ik verdwaald. Het zag er
opeens allemaal anders uit, zodat ik deze versie ook moest gaan leren.
Een week later leerde Eduard mij een route voor gebruikers van rolstoelen.

Langzamerhand begon het mij te duizelen, maar Eduard was tevreden.
Hij vond dat ik de weg nu voldoende kende om alléén door de grotten te
gaan lopen en hij raadde mij aan om dit vaker te doen vanaf nu. Wél moest
ik dat tevoren aan een van de gidsen vertellen en mij later bij diezelfde
gids weer afmelden.
Dit om te voorkomen dat ik een nacht in de grotten opgesloten zou zitten,
zonder dat iemand het wist.
Toen ik een half uur in mijn eentje had gelopen, onder de indruk van de
doodse stilte, de duisternis en de eenzaamheid, zag ik tot mijn verbazing
in de zijgangen telkens monniken haastig wegduiken,
hun gezichten verborgen onder zwarte kappen.
Het bleken de schaduwen te zijn van muren en pilaren.
Hierna hoorde ik een zacht getjilp.
Eduard had mij verteld wat dat was: vrijende vleermuizen.
Die komen 's winters hun winterslaap houden als er geen muggen in de
lucht zijn. Ze hangen hier en daar aan het plafond, bij voorkeur
in hoge gangen en in gebieden waar geen mensen komen.
Kort daarna zag ik witte spoken. Wat kregen we nou?
Ik bleef staan en de spoken schuifelden langzaam in mijn richting.
Het bleken een stuk of zeven vrouwen uit India te zijn, in lange,
witte gewaden en met witte hoofddoeken. De gids die erbij was,
had ik niet gezien door zijn donkere jekker.

Toen kwam de grootste schrik van die morgen: de ontdekking dat ik
verdwaald was.
Even borrelde een paniek omhoog. Wat moest ik doen? Dát had Eduard
mij niet geleerd! Ik dacht na, zette de lamp op de grond en dacht
nóg eens na. Vervolgens liep ik met mijn reservezaklamp een willekeurige gang in,
maar zó dat achter mij nog steeds het schijnsel van de benzinelamp te zien was.
Er was niets dat ik herkende.
Daarna liep ik een andere gang in. Pas bij de derde gang herkende ik
een tekening op een muur en wist ik de weg weer.
Eduard mocht in geen geval weten dat ik verdwaald was.
Mogelijk zou hij de opleiding dan met enkele weken verlengen en
al die tijd zou ik krap bij kas zitten.

Tot slot kreeg ik een dikke klapper met allerlei grottenverhalen en gebeurtenissen.
Er stonden zoveel verhalen en feiten in,
dat nieuwe gidsen daaruit naar eigen smaak een veldboeket mogen samenstellen.
Gevolg: de verhalen van de gidsen zijn allemaal anders en iedereen praat
over een onderwerp dat hem of haar interesseert.

Eindelijk was ik klaar voor het examen, dat werd afgenomen
door Eduard en de directeur van de VVV.
Tot mijn schrik waren de toeristen die ik moest rondleiden
Amerikanen, zodat ik mijn examen in het Engels moest doen.
Later ging ik ook rondleidingen geven in het Fort St. Pieter en de kazematten.


grot

Sinds 2002 maak ik jaarlijks zo'n 4000 mensen aan het lachen en
dat heeft me nog nooit verveeld! Natuurlijk zijn er ook ernstige verhalen,
maar het één versterkt het ander.
Mijn collega's zijn allemaal mooie figuren, zodat ik mij in dit wereldje
helemaal thuis voel. Temeer omdat mijn vriendin Christina ook grottengids
is geworden.

Bij dit 'werk' moet je veel lopen, met als gevolg dat je jaarlijks jonger wordt!
Kortom, mijn maandelijkse financiële verplichting heeft mij rijk gemaakt!



Terug naar boven